|
Nieuwe dubbel-cd met werken van Reger en Hindemith kan nu besteld worden.
In de achterliggende periode is er hard gewerkt om tot de productie te komen van twee CD’s waarop het valerius Ensemble werken van Reger en Hindemith speelt. De CD’s worden uitgegeven bij Brilliant Classics (Kruidvat) en zijn nationaal en internationaal uitgebracht in de week van 12- 16 juni 2006. In Nederland en België kan de dubbel CD alleen besteld worden via de website van het Kruidvat. In samenwerking met Brilliant Classics vindt U hierbij een webadres waarop U door te klikken direct op de website van het Kruidvat komt. Daar vindt U ook meer informatie over de CD’s en is ook een tracklist toegevoegd. Het is zeer eenvoudig om via deze site de CD’s te bestellen die daarna binnen enkele dagen uit voorraad wordt afgeleverd. De prijs van de CD’s bedraagt 7,98 Euro exclusief 1.75 Euro voor verzendkosten.
< Klik hier om de cd te bestellen (Nederland) > < Klik hier om de cd te bestellen (Belgie) >
Ed Tervooren over de REGER & HINDEMITH CD van het Valerius
Het is geen toeval dat Max Reger (1873-1916) en Paul Hindemith (1895-1963) hier tezamen worden gepresenteerd. In hun enorme productiviteit, ambachtelijke benadering van het componeervak en liefde voor het contrapunt van Bach lijken zij op elkaar. Daarbij delen zij de voorkeur voor "absolute" muziek boven muziek die door buitenmuzikale factoren wordt bepaald. Reger is hierin de geestelijke erfgenaam van Johannes Brahms, de illustere verdediger van de absolute muziek in de tweede helft van de 19e eeuw. En zo is Hindemith weer de erfgenaam van Reger. Max Reger war der letzte Riese in der Musik. Ich bin ohne ihn gar nicht zu denken, zei hij eens in een interview.
CD 1 - Max Reger
Het strijktrio in a, op. 77b werd samen met de Serenade voor fluit, viool en altviool op. 77a geschreven in 1904. Dat Reger royaal placht te strooien met tegenstemmen en modulaties heeft in sommige van zijn werken geleid tot een overladen en troebel klankbeeld, zodat de tempoaanduiding allegro agitato in het openingsdeel dan ook het ergste doet vrezen. Maar het deel is een wonder van doorzichtigheid waarin de invloed van Brahms onmiskenbaar meeklinkt. Het larghetto is meditatief van karakter, het korte scherzo tekent een dorpse Ländler vol spitse invallen. In de finale overheersen elegantie en speelvreugde. Reger heeft de twee middendelen ook voor piano bewerkt en in Aus meinem Tagebuch op. 82 opgenomen.
Het Klarinetkwintet in A, op. 146, is een van Regers meest gespeelde kanermuziekwerken. Het is tevens zijn laatste compositie - zes weken na voltooiing overleed hij in een hotelkamer in Leipzig, 43 jaar oud; zijn sterke gestel was op den duur niet opgewassen tegen zijn nimmer aflatende werkdrift en excessieve alcoholconsumptie. Toch was hij in de laatste jaren, sinds zijn verhuizing naar een ruime villa in Jena,
rustiger geworden. Het woord agitato is dan uit zijn vocabulaire verbannen. In de werken die zijn geschreven in - wat hij noemde - dem freien Jenaischen Stil combineert hij het aftasten van de grenzen van de tonaliteit met een gevoel van berusting. Zo ook in het klarinetkwintet, dat qua klankbeeld aansluit op Brahms' magistrale opus 115. Lyriek overheerst in het moderato ed amabile, vederlicht klinkt het vivace, bezonken en melancholiek het largo. De finale bestaat uit twintig in tempo en karakter contrasterende variaties op een zangerig thema. In de laatste maten lijkt het of zachtjes de deur naar de eeuwigheid geopend wordt. Een roerende zwanenzang.
CD 2 - Hindemith
De Kleine Kammermusik op. 24/2 (1922) laat de luchtige, muzikanteske kant van Hindemith zien. Het stuk vormt de pendant van de meesterlijke Kammermusik op. 24/1, het eerste van een reeks van zeven concertante werken die in de jaren 1922-27 zijn verschenen en waarin met steeds verschillende instrumentencombinaties wordt geëxperimenteerd. Al die stukken dragen dezelfde nuchtere titel "Kammermusik" en vormen een reactie op het hyperindividualisme en de roesverwekkende mega-orkesten die het fin-de-siècle hadden beheerst. Daarvoor in de plaats komen directe taal, heldere en compacte vormen en meer voeling met het gewone leven. De Kleine Kammermusik, een virtuoos blaaskwintet in suite-vorm, zit vol speelse uithalen en montere dissonanten maar biedt in het middendeel, ruhig und einfach, ook ruimte voor bezinning en lyriek. Het werk behoort tot Hindemith's populairste composities.
Het Klarinetkwintet uit 1923 is het meest complexe en gelaagde werk op deze CD. Hoewel Hindemith in de liedcyclus Das Marienleben al de oversteek had gemaakt naar een meer gematigd en neobarok idioom, klinkt hier nog de brutale toon door die hij rond 1920 had aangeslagen toen hij zich volop bediende van de stilistische middelen van het expressionisme. Mentaal had hij echter veel meer affiniteit met de tegenhanger van het hyperromantische expressionisme: de Neue Sachlichkeit, een stijlrichting die vooral door architecten aangehangen werd. Het kwintet heeft in zijn zuiver symmetrische opbouw dan ook duidelijke aanrakingspunten met architectuur. Het derde en middelste deel vormt - letterlijk - het hoogtepunt: de gewone klarinet maakt plaats voor de schrille es-klarinet. Het is getiteld Schneller Ländler en bestaat uit een aaneenschakeling van parodistisch vervormde walsmelodieën. Om deze dansorgie heen klinken twee langzame delen, een uitgebreide fuga waarin de klarinet als laatste inzet en een Arioso waarin de spelers afgemat bekomen van de woeste danspartij. Heel opmerkelijk zijn de twee energieke hoekdelen. Het slotdeel bevat hetzelfde notenmateriaal als het openingsdeel maar nu in kreeftengang (zoals bij een film die wordt teruggedraaid). De delen 1 en 5 van het kwintet zijn dus als twee hoektorens die elkaars spiegelbeeld vormen. Zo "architectonisch" is maar weinig muziek!
De première vond in 1923 in Salzburg plaats; naast klarinettist Dreisbach speelde het befaamde Amar Quartett, waarvan Hindemith als altviolist deel uitmaakte. Het stuk werd echter vooralsnog niet uitgegeven, dat gebeurde pas in 1955, na een grondige herziening. Typerend voor de oudere componist werden de scherpste kantjes van de oorspronkelijke versie wat afgevijld...
Hindemith was altijd gespitst op ongewone klankcombinaties en instrumenten. In het Trio voor heckelphon, altviool en piano (1929) presenteert hij een lage hobo die op instigatie van Richard Wagner werd ontwikkeld door de fa. Heckel in Wiesbaden-Biebrich om het gat tussen de hobo's en fagotten op te vullen. De Fransen hadden al een hautbois barytone, maar Heckel's instrument in dezelfde ligging kreeg een veel wijdere boring en daardoor een vollere en krachtigere toon. Wagner heeft de realisering van zijn idee niet meer meegemaakt, het prototype werd pas in 1904 gedemonstreerd en tot de eerste componisten die de heckelphon voorschreven behoort een andere Richard, Strauss (o.m. Salome, 1905).
In kamermuziek kan zo'n instrument zich natuurlijk beter laten horen dan in een operaorkest. Het Trio is zeer contrapuntisch opgezet en bestaat uit twee delen. Een inventie voor piano-solo, een arioso voor heckelphon en piano en een canonische passage voor het hele ensemble vormen samen het eerste deel. Het tweede is vrijer van opbouw en bestaat uit twee strakke canons en twee toccata-achtige passages vol accentverschuivingen.
Tussen 1936 en 1943 componeerde Hindemith een reeks sonate's voor vrijwel alle gangbare instrumenten - van fluit tot contrabas. Zij zijn perfect op de instrumenten toegesneden en doorgaans van een moeilijkheidsgraad die ook voor goede amateurs bereikbaar is. Dat heeft niet alleen de componist en zijn vaste uitgever (Schott) een grote klantenkring bezorgd maar ook het muziekleven verrijkt. De immer vlijtige en nieuwsgierige componist had zichzelf de grondbegindselen van al die instrumenten eigen gemaakt. Hij schreef zijn uitgever dan ook dat hij "großen Lust an diesen Stücken" had.
De Trompetsonate (1939) is één van de mooiste. De thematiek van de eerste twee delen is karakteristiek voor de Hindemith uit de jaren '30: lyrisch, welluidend, wel streng maar niet doctrinair. Het slotdeel is een Trauermusik waarin een intens gevoel van verslagenheid wordt teweeggebracht terwijl aan de fierheid die de trompet eigen is geen geweld wordt aangedaan.
Ed Tervooren
|